Creatieve energizers voor in de klas!

Energizers zijn korte groepsopdrachten die zorgen voor afwisseling in de les. Leerlingen kunnen hun energie kwijt en hun aandacht even ergens anders op richten. Het zijn leuke korte werkvormen met veel energie en plezier, die geen voorbereiding vragen en slechts een paar minuten hoeven te duren.

Een energizer werkt erg goed als een energie opwekkend intermezzo tussen twee taken in, zodat leerlingen zich daarna weer goed kunnen concentreren. Het bevordert de creativiteit, groepsvorming en groepsgevoel van de klas en zijn vooral erg leuk om samen te doen!

Voor deze energizers heb je geen spullen nodig (of een enkele keer dingen die toch al op school liggen), dus kun je ze op elk moment van de dag tussendoor doen, veel plezier!

Onderstaande energizers staan in willekeurige volgorde:
(bij sommige energizers staan linkjes naar voorbeeldfilmpjes)

  1. Ho Ching Tjak!
    We gaan in een cirkel staan en iemand begint met een HO. Bij een HO gaan de handen bijeen en de armen omhoog in een vloeiende opwaartse beweging (als een Samurai zwaard). Vervolgens reageren de twee ‘buren’ met een CHING. Dit is de handen bijeen ook weer als een zwaard en een zijwaartse beweging als het doorklieven van de ‘HO persoon’. De HO persoon beweegt vervolgens de armen in en vloeiende beweging neerwaarts en roept TJAK en kijkt daarbij iemand aan in de groep. Degen die aangekeken wordt roept HO en wordt daarbij de nieuwe HO persoon. Begin dit spel rustig, om de regels eigen te maken. Verhoog vervolgens het tempo zodat HO-CHING-TJAK zonder pauzes klinkt. Een laatste ronde werd gespeeld als spel waarbij leerlingen ‘af’ zijn bij een fout of een te trage reactie. Ben je af, dan stap je uit de kring. (Eenvoudiger: WA-WA-WA met dezelfde bewegingen)
  2. Klap de kring rond!
    Ga in een kring staan. Tel met z’n allen herhaaldelijk van 1 tot 4, zonder te versnellen of langzamer te worden. Als iedereen het tempo goed in zijn hoofd heeft, geeft de juf of meester een klap de kring rond: een keer met de klok mee en tegen de klok in. Zorg dat elke klap op de puls klinkt, dus niet sneller of langzamer.
  3. Klap de kring rond 2.0!
    Doe een rondje ‘klap de kring rond’ en laat leerlingen vervolgens de richting van de klap wijzigen door met de klap naar iemand te wijzen. Doe dat eerst links en rechts. Zorg wel dat de klap op de puls blijft, dus niet sneller of langzamer wordt. De ‘ketting van het geluid’ mag niet worden onderbroken. Lukt het goed? Dan kun je de klap ook naar iemand tegenover je gooien. Kijk diegene goed aan als je naar hem/haar klapt!
  4. Een geluid de kring rond!
    Nu bedenk je een ander geluid dan een klap, dat kan van alles zijn wat je met je lijf en stem kunt bedenken. De puls (1,2,3,4, 1,2,3,4) houd je vast door allemaal op de plaats te lopen. We spreken het volgende af: op tel 1 doet iemand een geluid, tel 2, 3 en 4 zijn rust. Dat geeft even bedenktijd voor de volgende leerling aan de beurt is. Zorg dat de puls altijd doorgaat. Als leerlingen even geen geluid weten, geef ze dan de mogelijkheid iets te herhalen dat ze al hebben gehoord, zodat de ketting niet wordt onderbroken.
  5. Een geluid de kring rond 2.0!
    Doe nogmaals ‘een geluid de kring rond’, maar deze ronde gaat het over tegenstellingen: maakte degene voor je een hard geluid, maak jij een zacht geluid, denk bijvoorbeeld aan een harde handklap versus een zachte vingerknip. Doet iemand iets met de stem in het hoge bereik, doe jij daarna iets laags met je stem. Zo ga je de kring door.
  6. Denkbeeldige bal!
    Laat de leerlingen in een kring zitten of staan. De leerkracht laat een denkbeeldige pingpongbal de groep rond rollen. Iedereen stapt er één voor één overheen. Gedurende deze energizer verandert de denkbeeldige pingpongbal in een sinaasappel, voetbal en zelfs skippybal! Leerlingen moeten hierop reageren door hoger/lager de springen. Variant: laat twee ballen in tegengestelde richting de kring rond rollen.
  7. Wedstrijdje klap de kring rond!
    Geef zo snel mogelijk een klap de kring rond (dus nu hoef je niet op de puls te letten). Doe dit een paar keer, kan het sneller dan de vorige keer? Variatie: geeft linksom een klap de kring rond en direct ook rechtsom een klap de kring rond, kunnen de klappen elkaar kruizen en de hele kring rondgaan?
  8. Wedstrijdje klap de kring rond 2.0!
    Geef linksom een klap de kring rond en laat rechtsom een ‘denkbeeldige’ pingpongbal de kring rondgaan, waar iedereen overheen moet stappen. Lukt dit tegelijkertijd? En wat als de pingpongbal een sinaasappel of skippybal wordt?!
  9. Maak muziek met een boek en een tafel!
    Bekijk klassikaal dit filmpje van Muziek met Freek. Geef elke leerling een boek met een harde kaft en doe mee! Deze energizer kun je in etappes doen.
  10. Een orkest zonder instrumenten!
    We gaan een orkest maken zonder instrumenten. Je mag alleen geluiden gebruiken die je zelf met je lichaam kunt maken. Gebruik je handen, voeten, stem enzovoort, maar je mag geen woorden gebruiken. Je mag dus wel fluiten, neuriën of brommen. Als iedereen een eigen geluid heeft bedacht, gaan we een bekend liedje spelen. De juf of meester is de dirigent en kan met gebaren bepaalde instrumenten aan en uit zetten.
  11. Loop door de ruimte!
    Leerlingen mogen rustig door de ruimte lopen. De leerkracht geeft aan: Als ik 1 zeg dan ga je lopen. Als ik 2 zeg dan ga je rennen op je plaats. Wissel 1 en 2 af. Vervolgens komt 3 erbij: Als ik 3 zeg ga je op handen en voeten lopen. Wissel 1, 2 en 3 af. Nu komt 4 erbij: als ik 4 zeg ga je op je plaats een dansje doen. En als ik 5 zeg geef je iemand een hand die je tegenkomt (je blijft lopen). Na een tijdje mag een leerling de getallen zeggen.
  12. Tel door de ruimte!
    Alle leerlingen lopen rustig door de ruimte. De leerkracht geeft aan: vanaf nu gaan jullie één voor één tot tien tellen, maar ik geef niet aan wie en wanneer. Zodra per ongeluk twee leerlingen tegelijkertijd het volgende getal zeggen beginnen we weer opnieuw. Lukt het om tot tien te tellen? En lukt het ook met bijv. de tafel van 6?
  13. 7 is ssh!
    Leerlingen zitten/staan in een kring. We gaan met de klas met de klok mee tot 69 tellen. Een leerling begint ‘1’ en vervolgens de buurman ‘2’ etc. Maar let op! Je mag geen getal zeggen waar een 7 in zit of in de tafel van 7 voorkomt. Dan roep je ‘Sssh!’ met je vinger voor je mond. Als je per ongeluk toch een 7 zegt of 17 of een getal uit de tafel van 7, dan moeten we weer opnieuw beginnen. Lukt het om tot 70, ssh! 69 te tellen? Variant: als er ‘Ssh!’ wordt geroepen dan gaan we weer tegen de klok in en nog een keer, dan weer met de klok mee.
  14. Knijp de kring rond!
    Ga in een kring staan of zitten en hou in stilte elkaars handen vast. Geef een puls of een aantal pulsen door, door zachtjes in je hand te knijpen. Je buurman/buurvrouw geeft deze puls(en) door aan zijn/haar buurman/buurvrouw. Net zo lang tot we de groep rond zijn. Is het geknepen ritme nog steeds hetzelfde als het begon? En lukt het ook om twee pulsen in tegengestelde richting de groep rond te laten gaan?
  15. Elektriciteit!
    We doen een race met twee teams. De teams gaan in twee rijen zij-aan-zij tegen over elkaar staan. Elk team houdt elkaars hand vast. Aan het eind van de twee rijen zetten we een voorwerp op een tafel (iets dat niet stuk valt als het de grond zou raken en niet te klein is) bijvoorbeeld een grote knuffel of voetbal. De juf of meester staat aan het begin van de rij en houdt van elk team de hand van de eerste speler vast. In stilte geeft de juf/meester een knijpje tegelijkertijd in beide handen. De leerlingen moeten dit knijpje zo snel mogelijk doorgeven tot de laatste leerling, die zodra hij/zij een knijp voelt zo snel mogelijk het voorwerp pakt, voordat het andere team dat doet!
  16. Zeg ken jij de mosselman?!
    Zing klassikaal het lied van ‘De Mosselman’. Laat telkens 1 leerling de laatste zin verzinnen in plaats van ‘Hij woont in Scheveningen’. Deze zin moet wel rijmen. Geef eerst een voorbeeld: Zeg ken jij de Mosselman? Hij houdt niet van zingen/Hij doet rare dingen/ Kun jij iets verzinnen?/Hij heeft zeven ringen/ etc. De leerling zingt deze zin solo, vervolgens zingen we het lied klassikaal verder en wordt op het eind zijn/haar zin klassikaal herhaald. Kunnen de leerlingen geen zinnen meer verzinnen? Maak dan variaties op een andere stad (met 4 lettergrepen) zoals Kopenhagen, Barcelona of Honolulu.
  17. Op een rij!
    Vraag leerlingen om op een rij naar verjaardag, lengte, schoenmaat, haarlengte of alfabetische volgorde te gaan staan. Variatie in thema: geef elke leerling een onderwerp in het thema en laat de leerlingen op volgorde van grootte/hoogte etc. staan. Bouw eventueel een handicap in zoals niet mogen spreken of geblinddoekt.
  18. Handjeklap! 
    Leerlingen gaan om een tafel staan en leggen hun handen met de palmen naar beneden voor zich op tafel. Dan kruist iedereen met zijn rechterhand over de linkerhand van zijn buurman en legt hem weer op tafel. De juf of meester geeft de startrichting aan, bijvoorbeeld rechtsom en start met de oefening door met zijn rechterhand op tafel te klappen. Het is de bedoeling dat die klap wordt doorgegeven in de volgorde waarin de handen op tafel liggen; dit is ingewikkelder dan het lijkt omdat de handen gekruist zijn. Als een hand klapt zonder dat hij aan de beurt is, moet hij van tafel genomen worden. Een hand moet ook van tafel weggehaald worden als hij te vroeg of te laat klapt. Variant: Als iemand twee keer klapt, verandert de klaprichting. Alle deelnemers mogen hier op elk moment gebruik van maken. De oefening is afgelopen wanneer er één deelnemer overblijft of wanneer twee deelnemers beiden nog één hand op tafel hebben.
  19. Klap-en-cijferspel!
    Alle leerlingen zitten in een kring. Iedereen krijgt een nummer dat hij goed moet onthouden. Nu begint het spel. Iedereen slaat 1 keer met zijn handen op zijn dijbenen, klapt één keer vóór zich in zijn handen en knipt steeds één keer met de vingers van zijn linker- en één keer met die van zijn rechterhand. Eén leerling, die vooraf is aangewezen, noemt tijdens het knippen met zijn linkerhand zijn eigen nummer en tijdens het knippen met zijn rechterhand een willekeurig andere nummer dat aan iemand in de groep is gegeven. Degene die dit nummer heeft moet dan de volgende ronde precies zo doorgaan. Het spel moet relatief langzaam worden gespeeld, totdat iedereen de volgorde van de bewegingen feilloos beheerst. Hoe sneller het tempo, hoe moeilijker het spel wordt. Rustig beginnen, langzaam opvoeren.
  20. Acht tellen met een ritme!
    De leerkracht vraagt elke leerling een getal in zijn hoofd te nemen van 1 tot en met 8.Vervolgens telt hij/zij met een rustige puls hardop tot 8 en vraagt de groep dit over te nemen. Als de groep de gezamenlijke puls goed aanvoelt, vraagt hij om nu alleen in je hoofd te tellen terwijl de puls doorgaat. Iedere deelnemer spreekt nu alleen het getal, dat hij in zijn hoofd had, hardop uit. Vervolgens is de opdracht: klap in je handen op je eigen tel. En daarna: klap 2 keer in je handen op je eigen tel. Daarna: Maak een percussie-geluid op je eigen tel. En vervolgens: Maak een beweging op je eigen tel. Variatie: Voer het tempo op.
  21. Ik ga op vakantie en neem mee… 2.0
    Een leerling start met de zin ‘Ik ga op vakantie en neem mee…’ en verzint een voorwerp met bijpassend gebaar. De volgende leerling herhaalt de zin en het voorwerp met het gebaar en verzint er een voorwerp met gebaar bij. Het doel is om alle voorwerpen en gebaren in de juiste volgorde te onthouden. Vervolgens kun je een raadspelletje doen door een leerling een gebaar te laten maken van een van de voorwerpen en de leerlingen in de klas te laten raden.
  22. The Cool Hand beat!
    Bekijk klassikaal het filmpje van ‘The Cool Hand Beat’ en oefen net zo lang tot het lukt!
  23. Namenrondje!
    We marcheren rustig op onze plaats (1-2-3-4) Klap 1x in je handen op de 1e tel en knip in je vingers op de 2e, 3e en 4e tel. 3. Na de klap zeg je je naam. Je naam moet uitgesproken zijn voor de volgende klap klinkt. De juf of meester begint. Tip: gebruik een langzame puls en zorg eerst dat de puls er is en voeg dan het spreken toe. Blijf op je plek lopen, na 4 passen komt de klap weer, en is dus de volgende aan de beurt. Variatie 1: Verzin andere geluiden in plaats van de klap en knip. Bijvoorbeeld een stamp, kreet of een klap op de borst of benen (bodypercussie). Variatie 2: In plaats van je naam kun je ook vragen om je lievelingseten of lievelingskleur te noemen.
  24. Namenrondje 2.0!
    We doen hetzelfde als namenrondje hierboven, maar terwijl je je naam zegt maak je er een beweging bij. Iedereen moet een eigen beweging verzinnen. Dat kan heel klein of heel groot zijn. Als een paar keer alle namen en bewegingen voorbij zijn gekomen, dan proberen we het een keer zonder naam met alleen de bewegingen!
  25. Namenspel!
    Verdeel de klas in twee teams. Hou met nog iemand een laken vast tussen de twee teams in, zodat ze elkaar niet kunnen zien. Aan beide kanten van het laken komt één leerling uit elk team te zitten. Dan gaat het laken naar beneden en moeten de twee leerlingen zo snel mogelijk elkaars naam roepen. De snelste leerling wint een punt voor zijn/haar team. Variant: De twee mensen die het laken vasthouden omschrijven de persoon, zonder de naam te noemen, de eerste leerling die de naam van de persoon achter het laken raadt, wint een punt voor het team.
  26. Muzikale fruitsalade!
    Bij deze energizer oefenen we eenvoudige ritmes met drie fruitstukken. 1. Hou een appel in de lucht en laat iedereen “appel” zeggen (liefst zo gelijk mogelijk) 2. Hou een peer in de lucht en laat iedereen “peer” zeggen (liefst zo gelijk mogelijk) 3. Hou afwisselend de appel en peer in de lucht, terwijl de leerlingen het fruitstuk benoemen. 4. Hou een sinaasappel in de lucht en laat iedereen “sinaasappel” zeggen (liefst zo gelijk mogelijk) 5. Vervang de woorden door klappen: peer = 1 klap, appel = 2 klappen en sinaasappel = 4 klappen. En laat afwisselend de verschillende fruitstukken zien, zodat er een ritme ontstaat. Tip voor een leuk ritme: P P A P S S A P Variaties: In plaats van klappen kun je ook stampen of klanken maken. Uiteraard kun je variëren met andere fruitsoorten of voorwerpen (bijv. pen/potlood) of plaatjes (bijv. aap/tijger/olifant).
  27. Midden in het oerwoud!
    We staan/zitten in een grote kring. In het midden van de kring mogen drie of vier leerlingen met hun ogen dicht zitten. De leerlingen in de grote kring gaan oerwoudgeluiden maken, zodat het lijkt alsof de andere leerlingen midden in een regenwoud zitten. De docent doet de volgende handelingen voor, hierdoor ontstaat een regenbui: wrijven met je handen- vingerknippen of 2 vingers op elkaar slaan (steeds harder); slaan op de bovenbenen (steeds harder) (een paar keer springen (en blijven klappen op de bovenbenen!); slaan op de bovenbenen (steeds zachter); vingerknippen of 2 vingers op elkaar slaan (steeds zachter); wrijven met je handen. Tijdens de regenbui maken leerlingen oerwoudgeluiden zoals kreten van apen en vogels. Als variatie kun je ook zee/strand geluiden maken.
  28. Mijn hoed die had vier deuken!
    Zing het liedje ‘Mijn hoed, die had vier deuken’ (zie het filmpje) en laat telkens een woord weg en vervang deze voor een gebaar. Als een leerling per ongeluk een woord zegt, dan is hij/zij af. Een ander voorbeeld is het lied, waarbij we woorden weglaten is ‘De Zeppelin
  29. Gebarentaal!
    Leer de dagen van de week in gebarentaal door middel van dit liedje. Je kunt ook gebaren van verschillende emoties leren door middel van dit liedje! Zoek het gebarenalfabet op en spel je eigen naam in gebarentaal. Variant: zeg een woord in gebarentaal en laat klasgenoten raden. Variant: bedenk een naamgebaar voor elkaar. Het gebaar moet iets (positiefs) over je klasgenoot zeggen.
  30. Fotograaf!
    De helft van de klas maakt een stilleven (ze gaan in een bepaalde houding bij elkaar staan) terwijl de andere helft van de klas met de rug hier naartoe staan. Dan mogen zij zich een halve minuut omdraaien en goed kijken hoe de andere klasgenoten staan (Ze maken een denkbeeldige foto). Vervolgens gaan de klasgenoten weer in een neutrale houding staan en moeten de ‘fotografen’ de klasgenoten weer in de juiste houding zetten. Een variant: is dat de fotografen zelf in die groepshouding moeten gaan staan. Vervolgens draaien we de rollen om.
  31. Dirigentje!
    Drie leerlingen mogen naar voren komen en elk een eigen geluid verzinnen. Vervolgens gaat de juf of meester hen dirigeren door ze een voor een aan te wijzen. Zo maakt de juf of meester een muziekstuk. Vervolgens mag een leerling dirigeren. Probeer ook of je twee geluiden tegelijkertijd kunt laten klinken en of je de geluiden harder en zachter kunt laten worden.
  32. Commando pinkelen!
    De leerlingen zitten aan hun tafel. Op commando van de leerkracht moeten een aantal bewegingen gemaakt worden. Deze bewegingen zijn :
    pinkelen (wijsvingers om de beurt op tafel tikken). Plat: handen plat op tafel. Hol: handen hol trekken, vingertoppen raken de tafel. Bol: je draait je hand om; vingers staan naar boven gericht. De leerkracht geeft het commando en maakt tevens zelf de bewegingen. De spelers nemen deze bewegingen over, maar ze moeten alleen reageren als het woord “commando” ervoor gezegd werd. De leerkracht kan de spelers ook misleiden door een verkeerde beweging uit te voeren. Dus de leerkracht zegt bijvoorbeeld commando hol, en legt zelf zijn handen plat op tafel.
    De leerlingen die de handen plat op tafel leggen, zijn dan af. Als het woord “commando niet wordt uitgesproken en de beweging toch overgenomen wordt, is een leerling ook af. Wissel af en toe van spelleider.  Variant: Laat leerlingen ook nog andere commando’s met elkaar bedenken.
  33. Psychiatertje!
    Twee leerlingen zijn de psychiaters en gaan de klas uit. De rest van de klas
    spreekt af dat ze een bepaalde ‘kwaal’ hebben. Dat kan lichamelijk of geestelijk zijn. Een lichamelijke kwaal is bijvoorbeeld, dat iedereen aan zijn neus krabt als hem iets gevraagd wordt. Een geestelijke kwaal is bijvoorbeeld, dat je in al je antwoorden een kleur noemt. Dan komen de psychiaters terug en die mogen de leerlingen vragen stellen, bijvoorbeeld: “Wat heb je vandaag allemaal gedaan?” En in het antwoord moet dan de kwaal verwerkt zijn. Dus het kind krabt even aan zijn neus, of zegt: “Ik heb een mooie tekening gemaakt met mijn blauwe kleurpotlood.” De psychiaters moeten raden wat de kwaal is.
  34. Wigle Wigle!
    Laat leerlingen in tweetallen tegenover elkaar staan. A en B tegenover elkaar.
    Stap 1: A en B tellen om en om doorgaand tot 3. A zegt 1, B zegt 2, A zegt 3, B zegt 1, A zegt 2, B zegt 3, A zegt 1 etc
    Stap 2: De 1 wordt vervangen door een klap. A klapt, B zegt 2, A zegt 3, B klapt, A
    zegt 2, B zegt 3, A klapt etc.
    Stap 3: de 2 wordt vervangen door een sprong. A klapt, B springt, A zegt 3, B
    klapt, A springt, B zegt 3, A klapt etc.
    Stap 4: De 3 wordt vervangen door wiggle, wiggle, wiggle, waarbij
    je met je billen draait. A klapt, B springt, A zegt wiggle, wiggle,
    wiggle en beweegt met zijn billen, B klapt, A springt etc.
  35. Ga staan als je…!
    Maak zinnen die steeds weer beginnen met ‘ga staan als je…’. De leerlingen gaan staan als wat er gezegd is op hen van toepassing is. Daarna mogen ze weer gaan zitten. Een voorbeeld: ‘Ga staan als je vanochtend bij het ontbijt yoghurt hebt
    gehad’, enzovoorts. Variatie: leerlingen bepalen zelf de zin.
  36. Bodysounds!
    We gaan bodysounds naspelen. De leerlingen staan in de kring. De leerkracht klapt enkele ritmes voor, de leerlingen klappen het na. Voorbeeldritmes: __ . . __ of . __ . __ of ____ . . of . . . . __ ( __ = lang . = kort). Nu mag een leerling een ritme verzinnen en klasgenoten klappen het na. Kun je ook andere bodysounds verzinnen?
  37. We will rock you!
    Ritme heeft een bepaalde puls. Laat de leerlingen hun pols voelen. Ze voelen dan het ritme van hun eigen hartslag. De popgroep Queen heeft dit hartslagritme gebruikt als intro voor hun nummer ‘We will rock you’. Zet dit ritme op met de klas: stap, stam, klap; stamp, stamp, klap (.._ .._). Een dirigent zou dit in tweeën dirigeren: één: stamp, stap; twee: klap. Doe dit voor, geef de maat aan voor de klas. Laat ze versnellen en vertragen; zo voelen ze wat de invloed van een dirigent kan zijn. Een dirigent geeft ook hard en zacht aan en wanneer je moet beginnen of stoppen.
  38. Een ritme aan- en uitzetten!
    De leerlingen staan in de kring.
 De leerkracht leert de klas de volgende twee ritmes aan: 1 __ . . __ (herhalen) 2 . . __ . . ? (herhalen)  (_ = lang . = kort ? = rust)
    Verdeel de kring in twee helften. De ene helft gaat ritme 1 klappen; zij gaan de hele tijd door zoals een lopende band steeds doorgaat. De leerkracht geeft de maat aan. Later kan een leerling dit doen. De andere helft klapt ritme 2 en wordt ‘aangezet’ door leerkracht (later de leerling). Na een paar herhalingen worden ze weer ‘uitgezet’. Na een paar keer aan/ uitzetten wisselen de kringhelften van ritme of kunnen er nieuwe ritmes worden bedacht.
  39. Een ritme aan- en uitzetten 2.0!
    Verdeel de klas in drie groepen. Elke groep krijgt een eigen ritme, dat zij kunnen klappen, of stampen. De dirigent geeft aan wat hij/zij wil horen. Eén vinger in de lucht betekent bijvoorbeeld het klapritme en 2 vingers betekent het stamp-ritme. De dirigent zet nu het klapritme van groep 1 aan én het stamp-ritme van groep 2. Dan zet hij groep 2 uit en groep 1 laat hij wisselen naar het stamp-ritme. Dan laat hij groep 3 klappen. Ga zo maar door. Iedere deelnemer moet zo erg opletten wat hij moet doen.
  40. Bodypercussie!
    Op Youtube zijn heel veel leuke bodypercussie oefeningen te vinden. Bijvoorbeeld dit filmpje! Of dit filmpje! En deze bodypercussie op klassieke muziek!
  41. Bimbam!
    Zing het bimbam liedje met bijbehorende bodypercussie, zie filmpje.
  42. Happy!
    Doe de bodypercussie bij het lied ‘Happy‘ van Pharell Williams! Zie filmpje 1. Of dans op ‘Don’t Worry be Happy!
  43. De wereld op zijn kop!
    Het is de bedoeling dat de leerlingen het tegenovergestelde doen van wat de juf of meester doet. Gaat de leerkracht staan, dan blijven de leerlingen zitten. Gaat de leerkracht lachen, dan gaan de leerlingen huilen etc.
  44. Levend memory!
    Eén of twee leerlingen gaan even op de gang staan. Andere leerlingen maken koppels en spreken een gebaar af. (bijv. duim omhoog, lange neus etc.). Alle leerlingen leggen beide handen op hun benen. Leerlingen komen terug in de klas. Steeds worden door deze leerlingen twee zittende leerlingen (memoriekaartjes)
    aangewezen die hun gebaar moeten laten zien. Zijn de gebaren hetzelfde is er één punt verdiend.
  45. Verhalenspel!
    De leerkracht kiest vier leerlingen die deze oefening gaan doen. De andere leerlingen zijn toehoorders en letten op wat voor veranderingen ze in het verhaal
    horen. Drie leerlingen gaan naar de gang, het eerste leerling mag in de klas blijven. Aan deze leerling vertelt de leerkracht een verhaal. Als het verhaal verteld is, komt een tweede leerling binnen. De eerste leerling vertelt het verhaal zo goed mogelijk aan de tweede. Deze vertelt dit verhaal weer door aan nummer drie en deze vervolgens aan nummer vier. Nummer vier vertelt het verhaal nog eens door aan de klas. De leerlingen die hebben zitten luisteren, vertellen wat er goed of fout ging.
  46. Woordenketting!
    De leerkracht start het spel door een samengesteld woord te zeggen (bijv. voordeur). Hierna neemt een leerling het over door een nieuw woord te maken van het tweede lid van het voorgaande woord (bijv. deurbel). Deze manier van spelen wordt doorgegeven (voordeur – deurbel – belsysteem enz.). Wanneer een leerling geen nieuw woord kan maken, doet deze even niet meer mee gedurende deze ronde. Het spel gaat net zolang door tot er een winnaar overblijft. Variant: knip 2x in de vingers en klap 2x in de handen, blijf dit doen zodat een puls ontstaat. Laat de leerlingen het woord op de eerste twee vingerknipjes zeggen. Op deze manier moet iedereen snel iets bedenken!
  47. Zelfportret!
    Laat leerlingen individueel een zelfportret tekenen met de ogen dicht en zonder het potlood van het papier te halen. De zelfportretten kunnen daarna worden ingekleurd.
  48. Luistervinken!
    Leerlingen liggen met hun hoofd op hun armen op tafel en hun ogen dicht. Zij proberen in 3 minuten zoveel mogelijk geluiden in en vooral buiten het klaslokaal waar te nemen. Na drie minuten schrijven zij zo snel mogelijk zoveel mogelijk dingen op die ze hebben gehoord. Degene met de langste lijst leest voor. Anderen kunnen nog aanvullingen geven als zij andere geluiden hebben.
  49. Luistervinken 2.0!
    Leerlingen gaan ontspannen op de grond liggen of op een stoel zitten en sluiten de ogen. De juf of meester maakt niet te snel achter elkaar gedurende drie minuten een aantal geluiden met voorwerpen uit het lokaal. (bijv. op de verwarming tikken, het bord vegen, een stoel aanschuiven, en dergelijke). Na afloop moet iedereen de geluiden die hij zich herinnert opschrijven. Het liefst ook in de juiste volgorde. De resultaten worden met elkaar vergeleken.
  50. Een bijzonder cadeau!
    Pak een klein voorwerp in met verschillende lagen inpakpapier. Op elke laag schrijf je een vraag of een opdracht in het thema dat je wilt behandelen. Start de muziek of zing een lied. Tijdens de muziek gooien de leerlingen het cadeautje rond, maar zodra de muziek stopt mag de leerling een laag inpakpapier eraf halen en de vraag beantwoorden (of opdracht doen). We gaan net zo lang door met vragen en/of opdrachten tot het cadeautje volledig is uitgepakt. Ook leuk in de Sinterklaas- of kerstperiode!
  51. Tekenopdracht in duo’s
    Leerlingen zitten in duo’s met hun rug tegen elkaar. Een leerling heeft een eenvoudige tekening of afbeelding uit een boek. De andere leerling heeft een vel papier en een potlood. De ene leerling omschrijft de afbeelding, zonder te zeggen wat het is. De andere leerling probeert de afbeelding te reproduceren.
  52. Doolhof in duo’s
    Leerlingen werken in duo’s. De ene leerling is geblinddoekt en heeft een potlood. De andere leerling is de leider en kan het doolhof bekijken dat voor hen ligt. De leider helpt ‘de blinde leerling’ om het potlood op het startpunt te zetten en geeft aanwijzigingen ‘omhoog, links, rechts, beneden’, om het doolhof uit te komen, zonder vaak de ‘muren’ te raken. De leider mag de hand, het potlood en het papier niet aanraken! Deze opdracht kan ook in wedstrijd vorm; het snelste duo wint.
  53. Luchtdirigeren!
    Volg de basiscursus luchtdirigeren en dirigeer klassikaal een muziekstuk! Dit zijn de verschillende stappen: 1. kies een stokje 2. kies een hand 3. kies je muziek 4. Leer uit je hoofd 5. Visualiseer het orkest 6. Onthoudt dit 7. Warming up 8. Kies je outfit 9. Het begin 10. Wees expressief 11. Werk aan je coördinatie 12. Het voetenwerk 13. Het slot
  54. Speel mee met het Europese Volkslied!
    Geef elke leerling een boomwhacker of een aantal leerlingen een xylofoon en laat ze meespelen met dit filmpje.
  55. Maak muziek met een rasp, bestekbak en 4 flessen water!
    Bekijk klassikaal dit filmpje van Muziek met Freek. Verdeel de klas in 4 groepen en laat elke groep 1 stap oefenen (stap 1, 2, 3 of 4) . Vervolgens spelen alle 4 groepen hun eigen stap tegelijkertijd, zodat het lied ontstaat.
  56. Concentratiespel: Orangegame
    Benodigdheden: 5 gekleurde t-shirts (of 5 gekleurde blaadjes, die de leerlingen voor zich leggen) en 9 fruitstukken van dezelfde kleuren (per kleur 2 en van 1 kleur slechts 1). Bekijk het filmpje voor de instructies.
  57. kort lang lang kort
    Geef alle leerlingen 4 tot 6 kaartjes met op de voorkant een voorwerp dat een korte toon vertegenwoordigt (bijv. een druppel of een muis) en op de achterkant een voorwerp dat een lange toon vertegenwoordigt (bijv. een regenboog of een slang). Klap een eenvoudig ritme met 4 tot 6 lange/korte tonen. Bijv. kort-kort-lang-lang-kort. Leerlingen mogen vervolgens het ritme voor zich neerleggen: muis-muis-slang-slang-muis. Variatie 1: draai de opdracht om door eerst kaarten neer te leggen en vervolgens dit ritme te klappen. Variatie 2: vraag een leerling een ritme te klappen of een rij kaarten te leggen.
  58. Match!
    Schrijf twee woorden die bij elkaar horen of een zin verspreid over twee blaadjes. In het thema feest zou dat bijv. kunnen zijn: [van harte] [gefeliciteerd] of [vrolijk kerstfeest][en een gelukkig nieuwjaar]. Zorg dat er evenveel kaartjes als leerlingen zijn. Stop de kaartjes dubbelgevouwen in een hoed. Elke leerling trekt een kaartje uit de hoed en probeert een klasgenoot te vinden die ‘matcht’. Je kunt deze energizer eenvoudig in elk thema maken. Denk ook aan variaties als dingen en hun geluiden [hinnikend] [paard], eigenschappen van dingen [de ronde] [bal], sprookjes [ [de wolf] [en de zeven geitjes], topografie [Nederland] [Amsterdam], rekenen [12×3] [=36] en andere zaakvakken. Speel bijbehorende muziek op de achtergrond.
  59. Match en play!
    Een variatie op bovenstaande energizer: zodra de duo’s zijn gevormd kunnen de leerlingen hun zin of woordcombinatie uitbeelden. Dit kan zowel door geluiden te maken of door middel van toneelspel of hints.
  60. Wie is de leider?
    Alle leerlingen zitten in de kring. Een leerling mag de klas verlaten en als hij/zij terug komt moet hij/zij raden wie de leider is. De leider geeft aan welke geluiden en bewegingen er worden gemaakt.
  61.  Mens tot Mens
    Een spelletje waarbij leerlingen in tweetallen met hun ledematen zo snel mogelijk reageren op de spelleider, zie het filmpje.
  62. Dierenspel!
    Alle leerlingen zitten in een kring. Elke leerling verzint een dier met bijbehorend gebaar. Vervolgens maken we samen een ritme. Je noemt eerst jouw dier (met gebaar) en daarna iemand anders dier (met gebaar), zie het filmpje.
  63. De kring bepaalt het ritme!
    Zet een rij stoelen in een halve kring. Een zittende leerling is 1 klap (kwartnoot). Een staande persoon is 2 klappen (2 achtsten). De leerkracht zet eerst een kring neer met alleen staande en zittende leerlingen. Hij/zij klapt daarna zelf het ritme dat is ontstaan. Laat zien dat je de kring ‘leest’. Er klinkt een ritmische reeks. Vraag vervolgens of iemand weet wat je doet. Als de groep begrijpt wat de code is, imiteer je het ritme met de groep. Als de groep de variaties goed beheerst dan kunnen ze op deze manier met elkaar ritmische zinnen componeren. Variatie: Klap het ritme linksom de kring door; Laat zien dat het ritme verandert als een persoon gaat staan
    of zitten; Vraag een leerling om een ritme te maken door zelf een kring
    neer te zetten; Een leerling die op een stoel staat is 3 klappen; Een lege stoel is een rust.
  64. Doe de Epic Patty Cake Song!
    Bekijk hier het origineel en bekijk via dit filmpje de instructies! Deze energizer kun je goed in etappes doen.
  65. Teken wat je voelt!
    Leg op elke tafel een klein voorwerp onder een (thee)doek. Bijvoorbeeld een sleutel, paperclip, vork of puntenslijper. Leerlingen mogen niet kijken welk voorwerp het is, maar alleen voelen. Elke leerling probeert zo gedetailleerd mogelijk het voorwerp te tekenen. Als de tekening klaar is kun je het met het voorwerp vergelijken.
  66. Doe de Cup Song!
    Bekijk hier het origineel en bekijk via dit filmpje de instructies! Deze energizer kun je goed in etappes doen.
  67. Hip Hop Dance!
    Leer de ‘Dutch Step’ Hip hop dans door middel van dit filmpje! Of simpele hip hop moves door middel van dit filmpje! Deze energizer kun je goed in etappes doen.
  68. Moderne dans!
    Leer een moderne dans op muziek van Justin Bieber met dit filmpje. Of deze simpele moves door middel van dit filmpje! Deze energizer kun je in etappes doen.
  69. Aramsamsam!
    Laat de leerlingen staan. Terwijl je Aramsamsam zingt met elkaar sla je op de knieën. Als goedi goedi goedi goedi komt, woel je door je haar. Bij Aravi gooi je de handen in de lucht. Ken je Aramsamsam niet? Kijk dan dit filmpje. Je kunt dit ook in tweetallen doen. Sla dan op de knieën van elkaar en woel door elkaars haar.
  70. Boom snap clap!
    Bekijk het filmpje en doe mee met dit klapspelletje! Of deze variant op tafel! En wat dacht je van deze?!
  71. Wake-up Song en andere Engelse actieliedjes!
    Bekijk het filmpje en doe met mee het Engelse Wake-up Liedje! Doe ook mee met ‘Move and Freeze!‘ En wat dacht je van ‘Boom chicka Boom‘?!
  72. Het Bekertjesspel!
    Geef een vijftal leerlingen een stapel plastic bekertjes (minimaal 15 bekers per leerling, waarvan 1 met een andere kleur of gemarkeerd door een marker). Het is een wedstrijd: je moet telkens een bekertje van boven onderop stoppen tot dat je bij het gemarkeerde/gekleurde bekertje bent. Let op: telkens maar 1 bekertje! De andere leerlingen moedigen de deelnemers aan.
  73. Het Bekertjesspel 2.0!
    Zet op twee tafels een rij plastic bekertjes naast elkaar (allemaal op de kop op tafel). Twee leerlingen krijgen elk een ballon om op te blazen. Met de lucht die uit de ballon komt, kunnen ze de bekertjes van tafel blazen. Alle bekertjes van je tafel? Dan heb je gewonnen! De andere leerlingen moedigen de deelnemers aan.
  74. Wie bouwt de hoogste toren?
    Geef groepjes leerlingen papier, schaar en plakband en de opdracht om in 5 minuten de hoogste toren te bouwen. Hoe? Dat moeten ze zelf bedenken! Variant: geef elk team een stapel plastic bekertjes en bordjes en doe een wedstrijdje wie het snelst een toren van alle bekertjes en bordjes kan bouwen. Het kan natuurlijk ook alleen van bekertjes of van spelkaarten.
  75. Knikkers hooghouden!
    Zet een paar tafels een beetje schuin door er bijvoorbeeld wat papier aan één kant onder te doen. Geef groepjes leerlingen elk drie knikkers en een eetlepel. Elke leerling mag om de beurt proberen om de drie knikkers op de tafel te houden door ze met de bolle kant van de lepel een tikje te geven. Wees snel, want de knikkers rollen vanzelf weer naar beneden!
  76. Knijper-tikkertje!
    Deze energizer kun je op het schoolplein of in het gymlokaal doen. Elke leerling krijgt vier knijpers op zijn/haar rug (vast geknipt aan het t-shirt). Vanaf het startsein probeert iedereen zoveel mogelijk knijpers te verzamelen.
  77. Eendje, eendje, koe!
    Alle leerlingen zitten in een kring. Één leerling loopt om de kring heen en tikt medeleerlingen zachtjes op hun hoofd en zegt wat ze zijn: een eendje, een eendje, een eendje… tot dat hij/zij een keer koe zegt. Op dat moment staat die leerling op en rennen beide leerlingen in tegenovergestelde richting rond te groep. Als ze elkaar tegen komen gaan ze op handen en voeten staan en zeggen ‘Boe!’ en dan rennen ze zo snel mogelijk weer terug naar de lege plaats in de kring. Wie het eerst zit mag blijven zitten, de laatste van de twee begint het spel opnieuw.
  78. Niet denken maar doen!
    Iedereen staat in een kring. De juf of meester maakt een hard geluid met bijpassende beweging en iedereen doet één voor één het geluid en de beweging na. Niet denken, maar doen! Zo snel mogelijk. Is het geluid met de beweging de kring rond? Dan mag de volgende een nieuw geluid met beweging maken.
  79. Tel tot tien!
    Leerlingen doen hun ogen dicht en dan gaan we proberen tot tien te tellen. Let op: we spreken niet af wie begint en het volgende getal zegt, maar als meerdere leerlingen een getal tegelijkertijd zeggen, dan moeten we opnieuw beginnen!
  80. Maak een woord!
    Verzin klassikaal welk woord je wil zeggen. Vervolgens gaan we proberen om de letters met ons lichaam te maken. Dat kan staand of liggend op de grond. Maak een letter met meerdere leerlingen samen. Van elke letter maken we een foto (bijv. vanaf het balkon of staand op een tafel) en vervolgens kijken we of iemand het woord kan lezen.
  81. Multi-tasken!
    Leerlingen gaan in viertallen bij elkaar staan. Leerling A gaat ervaren wat is het is om te multi-tasken; ervaren wat een operazanger ervaart: zoveel tegelijk doen. De andere drie leerlingen stellen vragen (tegelijkertijd en door elkaar heen). Leerling B stelt persoonlijke vragen, C vraagt rekensommen, D maakt bewegingen die A spiegelt. Leerling A probeert alles te beantwoorden en doen.
  82. Iedereen gezien?!
    Leerlingen staan stil in een kring, in stilte. De opdracht is om zonder te praten met iedereen oogcontact te maken. Pas als je iedereen in de ogen hebt gekeken mag je gaan zitten. Dit is een goede ‘energizer’ om weer tot rust te komen.
  83. Het lied wordt steeds langer!
    Een leuk liedje waarbij telkens een woord wordt toegevoegd is bijvoorbeeld: De fiets van Piet van pa!CatootjeOld McDonald had a farm en Kuiken Piep! (Ook leuk in het Engels). Probeer de liedjes uit het hoofd te zingen!
  84. In de bus!
    Maak twee (denkbeeldige) lijnen op de vloer. Alle leerlingen gaan tussen de twee lijnen staan. De juf of meester noemt vervolgens een keuze. Bijvoorbeeld zwemmen of voetballen. De leerlingen die zwemmen leuker vinden gaan links van de bus staan en de leerlingen die voetbal leuker vinden stappen rechts uit de bus. Vervolgens kun je allerlei moeilijke keuze voorleggen zoals rekenen of taal, ochtend of avond, pannenkoeken of patat, horen of zien, werken of niks doen etc.
  85. Levend boter, kaas en eieren!
    Zet 9 stoelen in drie rijen achter elkaar. Verdeel de klas in twee teams. Van team 1 mag één leerling op een stoel naar keuze gaan zitten en met zijn/haar handen een kruis maken. Vervolgens mag uit team 2 iemand op een stoel gaan zitten en een met zijn/haar handen een rondje maken. Zo kun je levend boter, kaas en eieren spelen!
  86. Schreeuwende tenen!
    Je kunt deze energizer het beste in kleine groepjes (van max. 10 leerlingen) doen. Meerdere groepjes kunnen tegelijkertijd spelen. Iedereen staat in een kleine cirkel en kijkt naar beneden. De opdracht is om naar iemands tenen te kijken (niet die van jezelf). De juf of meester telt af 3..2..1.. en dan kijk je degene aan, waarvan je de tenen hebt bekeken. Kijk diegene terug? Dan moet je allebei schreeuwen en ben je af. We gaan door tot het laatste duo overblijft.
  87. Gelukkig, maar helaas!
    We gaan met de klas een verhaal vertellen. De eerste leerling maakt een zin dat begint met het woord ‘Gelukkig’ en de tweede leerling gaat verder met een zin die begint met ‘Maar helaas…’. Vervolgens gaat een leerling verder met ‘Gelukkig’ en een vierde leerling met ‘Maar helaas’ enzovoorts. Je kunt hetzelfde doen met de woorden ‘Er was eens…’ en ‘Sterker nog…’ en ‘Maar…’. Je kunt natuurlijk ook zin voor zin een verhaal verzinnen zonder vaste beginwoorden.
  88. Verzin een Limerick!
    Leerlingen krijgen vijf minuten de tijd om individueel of in tweetallen een limerick (AABBA) te verzinnen. Gebruik deze muziek om de limericks te laten vertellen. Variant: laat leerlingen zin voor zin een limerick verzinnen. Leerling 1 begint, leerling twee rijmt een zin hierop etc.
  89. Verzin een Energizer!
    Deze opdracht kun je ook als huiswerkopdracht geven. De leerlingen hebben een aantal energizers in de klas gedaan. Nu kunnen ze zelf creatief een energizer verzinnen, die we met de klas gaan testen! Geef wel een aantal kaders; het mag niet langer dan vijf minuten duren, de hele klas moet mee kunnen doen, het moet leuk zijn, het mag geen rommel geven, je mag niemand voor gek zetten etc.
  90. D-O-W-N!
    Engels creatief klaplied. Bekijk het filmpje en zing het lied in een kring. Elke leerling mag een keer een beweging verzinnen. Je kunt het ook in het Nederlands doen: G-A Ga je gang, ga lekker je gang! Hoi [naam] Hallo (2x)  Ga lekker je gang! (2x) (no way, oke!). G-A Ga je gang, ga lekker je gang!
  91. Twee dingen uitbeelden!
    Geef aan dat de leerlingen zo dadelijk dingen gaan uitbeelden in tweetallen. Het bepalen hoe ze dat gaan doen: gebeurt zonder praten, en zonder dat er een specifieke leider of volger is: laat het vanzelf tussen jullie beiden ontstaan. Het komt vanzelf goed! Vraag leerlingen in tweetallen om dingen uit te beelden (die uit 2 delen bestaan). Begin daarbij met concrete dingen, en maak de zaken later meer beeldend en abstract. Zoals bijvoorbeeld: vork en lepel, water and wind, goed en slecht, warm en koud, zoet en zuur, zout en peper, kat en hond. Het wordt geen raadspel, maar is leuk om te verkennen of het lukt. Het kan ook in viertallen: de 4 seizoenen, de 4 windstreken etc.
  92. Emotiekring!
    We gaan in een kring staan. De juf/meester begint en kijkt de leerling rechts van hem/haar aan met een bepaalde (kleine) emotie (blij, boos, verdrietig, verlegen etc.) in stilte. De leerling neemt deze emotie over en draait zich om naar de leerling rechts van zich. Terwijl hij/zij zich omdraait maakt hij/zij de emotie iets groter (door bijv. iets breder te lachen of treuriger te kijken). De leerling rechts doet hetzelfde, zodat de emotie de kring door gaat en telkens groter en uitbundiger wordt. Op een gegeven moment mag er ook geluid bij worden gemaakt. Lukt het om een bepaald gevoel veel groter te maken?

Bronnen: http://www.klassenkracht.nl, Leermiddelenbak, Youtube en zelf verzonnen.